Herentalse Geschiedkundige Kring
Welkom
Historisch overzicht
Publicaties
  & hoe bestellen
Evenementen
Verslagen
Nieuws
Contact
Wie is wie?
Foto's
Links
VERSLAGEN
Steengroeven, steenhouwers en metselaars…
aan het werk in de Sint-Waldetrudiskerk te Herentals

Lezing door Dr. Sc. Frans Doperé in de St.-Waldetrudiskerk op 04.09.2010

Aan de Sint-Waldetrudiskerk te Herentals werd gebouwd van de 14de eeuw tot het einde van de 15de eeuw. In het metselwerk werden twee typen van witte kalkzandsteen verwerkt, nl. de Gobertangesteen afkomstig uit de omgeving van Jodoigne in Waals-Brabant en de Ledesteen afkomstig uit de omgeving van Aalst (Affligem, Balegem, Lede). Deze tertiaire gesteenten zijn ontstaan in de zandige lagen van respectievelijk het Lutetiaan (een geologische laag die vroeger het Brusseliaan werd genoemd) en het Lediaan. In beide gevallen ontstonden aldus min of meer grote knollen kalkzandsteen, waarvan vooral de geringe hoogte bepalend is geweest voor het ontstaan van bepaalde karakteristieken van de gotische architectuur in het voormalige hertogdom Brabant. De gehouwde Gobertangesteen heeft een geringere hoogte dan de gehouwde Ledesteen. Toch heeft de over het algemeen geringe hoogte van deze kalkzandstenen ertoe geleid dat de kapitelen dienden te worden opgebouwd uit drie tot vijf lagen, dat het loofwerk op die kapitelen in twee rijen voorkomt en niet in één en dat het maaswerk van de vensters en de triforia en het blinde maaswerk steeds tegen het groefleger werd geplaatst. Omdat de steenhouwers in de steengroeven steeds zo groot mogelijke stenen trachten te houwen uit de beschikbare natuurlijke blokken was het normaal dat de bouwstenen verschillende afmetingen hadden. Het gevolg daarvan was dat de steenhouwers op stenen met dezelfde hoogte merken gingen aanbrengen. Er waren dus evenveel soorten merken als er stenen waren met verschillende hoogten. Deze merken noemt men laaghoogtemerken. Ze komen meestal voor op witte kalkzandsteen, getekend met een bruine of zwarte substantie of ook gekapt met de beitel, precies omwille van de geringe en variabele hoogte van de gehouwen stenen. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de stenen van de noordelijke zuilen van het schip van de Sint-Waldetrudiskerk.

Onderzoek uitgevoerd in tientallen gebouwen (meestal kerken) opgetrokken in witte kalkzandsteen in het voormalige hertogdom Brabant heeft aangetoond dat de steenhouwtechnieken evolueerden. Praktisch kan men daardoor op kalkzandsteen drie steenhouwtechnieken onderscheiden die wij respectievelijk fase I, fase IIa en fase IIb noemen. Fase I en fase IIa vertonen beide de sporen van de steenbijl, de polka of de brede ceseel. De overgang tussen beide fasen wordt gekenmerkt door het verdwijnen van de fijne randslag van fase I en het verschijnen van de regelmatige doch ruwe randslag van fase IIa. Deze overgang gebeurde tussen 1400 en 1420. Tenslotte werd tussen 1430 en 1450 de steenbijl, de polka of de brede ceseel definitief vervangen door de beitel. Met deze dateringen is het mogelijk om onderdelen van gebouwen te dateren en ook de evolutie van de bouwwerf te volgen. Wij hebben deze methode toegepast op de Sint-Waldetrudiskerk te Herentals.

Daaruit blijkt duidelijk dat de vieringpijlers, de bogen, de toren en beide transeptarmen behoren tot fase I. Dat betekent dus dat ze ouder zijn dan 1400-1420 en dus zeer waarschijnlijk nog in de 14de eeuw werden opgetrokken.

Steeds volgens de resultaten van de steenhouwchronologie behoort het ganse koor (de koorzuilen, de scheibogen, de zijbeuken, de gewelven, het vals triforium en alle vensters) tot fase IIa, wat toelaat het koor integraal tussen 1400 en 1450 te dateren. Volgens Gramaye (1610) zijn de werken aan het koor begonnen in 1417 en werd het gewelf afgewerkt in 1449. De correlatie tussen de steenhouwchronologie en de geschreven bronnen is hier dan ook perfect.

In het schip vertonen de zuidelijke zuilen, de scheibogen en de pilasters tussen de bovenlichten eveneens de karakteristieken van fase IIa. Hetzelfde geldt eveneens voor de zuidelijke zijbeuk. Dit laat toe om de zuidelijke helft van het schip tussen 1400 en 1450 te dateren.

In de noordelijke zuilen en in het westportaal komen zowel stenen voor met de karakteristieken van fase IIa (bewerking met de steenbijl, de polka of de brede ceseel en een ruwe randslag) als van fase IIb (bewerking met de beitel). Dat betekent dat deze zuilen en het westportaal werden opgetrokken tijdens de overgangsperiode tussen beide technieken. Voor de datering betekent dat dus tussen 1430 en 1450. De noordelijke scheibogen, de pilasters tussen de bovenlichten, alle bovenlichten (noord en zuid), de noordelijke zijbeuk en alle gewelven behoren tot fase IIb (bewerking met de beitel). Deze elementen werden dus na 1430-1450 gebouwd. Het lijkt waarschijnlijk dat deze laatste gedeelten werden afgewerkt met het geld dat Jan van Bourgondië, bisschop van Kamerrijk in 1479 had ter beschikking gesteld.

De steenhouwchronologie of de studie van de bewerkingssporen die de steenhouwer op het zichtbare steenoppervlak heeft achtergelaten, laat in het geval van de Sint-Waldetrudiskerk van Herentals dus duidelijk toe om een vrij nauwkeurig beeld op te hangen van een middeleeuwse bouwwerf in evolutie.

De teksten van de andere lezingen zullen verschijnen in de volgende historisch jaarboek van de ‘Herentalse geschiedkundige Kring’.

De magie volgens de kerkelijke leer
door dr. Marcel Gielis

Vanaf het einde van de 16de eeuw bond de Kerk in verhevigde mate de strijd aan tegen het wijd verspreide bijgeloof.

Wanneer iemand aan magische bezweringsformules die vanuit christelijk standpunt onzinnig zijn, kracht toekent of een bepaalde plant niet gebruikt als ‘natuurlijk’ geneesmiddel maar als een magisch amulet, dan vervalt hij tot bijgeloof. Want wanneer men geen beroep doet op natuurlijke vermogens of (in sacrament en gebed) op Gods kracht, wendt men zich eigenlijk vanuit het standpunt van de Kerk tot de demonen en geesten van het heidendom en voor zover die bestaan, zijn het de duivel en zijn trawanten, die volgens de christelijke opvatting engelen zijn die tegen God in opstand gekomen zijn en daarom door de trouwe engelen onder leiding van de aartsengel Michaël uit de hemel verdreven en in de hel gestort zijn. Door magie te beoefenen doet men dus een beroep op de duivels.

De repressie van magische praktijken leidde tot een tragisch misverstand (waaraan de hedendaagse historici zich dikwijls nog niet ontworsteld hebben). Toen Filips II in 1592 een streng edict uitvaardigde tegen bezweerders en tovenaars, dachten sommige magistraten en gerechtsofficieren dat dit gericht was tegen heksen, de vrouwen die er door het bijgelovige volk van verdacht werden op magische wijze onheil aan te richten. In 1595 stierven in Peelland 15 vrouwen op de brandstapel. De pastoor van Asten, de Tongerlose norbertijn Jacob van Baerle, deed een beroep op bisschop Masius, die de Raad van Brabant waarschuwde. Op last van de Raad kwam de procureur-generaal van Brabant, Jacob van ’t Sestisch, een onderzoek instellen. Hij liet de heksenprocessen stilleggen. Het rondschrijven van 1595, dat de opvattingen weerspiegelde van de bestrijder van de heksenwaan, Johannes Wier, houdt duidelijk verband met de Peellandse heksenprocessen.

Uit smaadprocessen (bv. dat van 1950 in Turnhout!), uit getuigenissen van visitatoren en andere indicaties in de bisdomarchieven en vooral uit een massa volkssagen blijkt dat het bijgeloof – het geloof aan heksen en spoken – wijdverbreid bleef onder het ‘volk’, hoewel het mettertijd enigszins gemarginaliseerd werd.

De juridische, sociale en familiale samenhang tussen een aantal heksenprocessen in Belgisch-Limburg
door dr. Theo Coun

De meeste heksenprocessen in Belgisch-Limburg waren – zoals in de andere gewesten – eigenlijk processen wegens schadelijke toverij. Ze werden gevoerd tegen personen die door veroordeelde heksen tijdens hun ondervraging verklikt werden; er is bijgevolg een samenhang tussen heel wat verschillende processen. Desondanks luidt de titel van vele historische artikels: ‘Een heksenproces te [plaatsnaam] in [jaartal]’. Met dergelijke titels als uitgangspunt zal men de samenhang tussen verschillende processen niet ontdekken.

Dr. Coun zal zich tijdens zijn voordracht beperken tot drie aan elkaar grenzende gemeenten in Belgisch-Limburg. Binnen dat gebied werden tussen 1601 en 1616 in totaal 12 vrouwen beschuldigd. Zes werden terechtgesteld, drie kregen een alternatieve straf en voor drie andere vrouwen is de afloop onbekend. Klassiek in de heksenliteratuur is de voorstelling dat het vooral gaat om alleenstaande, oudere, arme vrouwen. Van de 12 vrouwen die van toverij beschuldigd werden, waren er ten minste 10 gehuwd en alleszins 5 waren vermogend. Ook het sociale netwerk van de vrouwen was niet onbelangrijk: een was de dochter en een ander de schoonzus van een schout, een was de vrouw van een schepen, een de schoonmoeder van een schepen en een derde de schoonzus van een schepen.

LEZING DOOR PAUL PEETERS:
K.C. PEETERS (1903): LEVEN EN WERK.
EEN VOLKSKUNDIGE OP HET ANTWERPS STADHUIS.

Prof. dr. Karel Constant Peeters werd in 1903 in Wuustwezel geboren. Hij was naast volkskundige en professor ook auteur van meer dan duizend artikelen. Hij is de grondlegger van de wetenschappelijke beoefening van de volkskunde in Nederlandstalig België en stichter van het ‘Instituut voor Volkskunde’, het latere ‘K.C. Peeters Instituut voor Volkskunde’.

In de jaren 1940 startte K.C. Peeters aan de KULeuven met het sagenonderzoek, dat later werd voortgezet door Stefaan Tops. Het veldwerk van tientallen studenten die een volkskundige licentiaatverhandeling schreven, resulteerde in een verhalencollectie van meer dan 60.000 sagen uit alle Belgische Nederlandstalige provincies.

Kort was de 2de wereldoorlog trad hij in dienst als kabinetschef van de toenmalige Antwerpse burgemeester Leo Delwaide. Later werd hij benoemd tot Antwerps stadsecretaris.

Als volkskundige was K.C. Peeters nauw betrokken bij de ontwikkeling van het openluchtmuseum in Bokrijk. Onder zijn impuls werd op het domein ook een stadswijk gebouwd met oude huizen uit de Antwerpse binnenstad.

Als volkskundige schreef hij ook verscheidene artikelen over Antwerpen en de Antwerpse Kempen, een regio die hem als Wuustwezelenaar nauw aan het hart lag.

Interview met dr. Jan-M. Goris (RTV 22.10.2009).


'Welke is de echte Kempische stad: Herentals of Turnhout?'
Lezing door dr. Jan-M. Goris op 24 oktober

Op zaterdag 24 oktober 2009 gaf dr. Jan-M. Goris, secretaris van de 'Herentalse Geschiedkundige Kring' en stadsarchivaris te Herentals in zaal 't Hof op de Grote Markt, een druk bijgewoonde voordracht met als titel: 'Welke is de echte Kempische stad: Herentals of Turnhout ?'

Deze voordracht werd georganiseerd door de 'Herentalse Geschiedkundige Kring', ter gelegenheid van 800 jaar Herentals, in samenwerking met Campinia Academica en Davidsfonds – Herentals.

Na een ludieke inleiding, waarbij hij de Herentalse en de Turnhoutse mentaliteit vergeleek, behandelde dr. Jan-M. Goris de voornaamste etappes van de Herentalse stadswording.

In oktober 1209 verkreeg Herentals vrijheidsrechten van Hendrik I, hertog van Brabant. Dat is de aanvang van de stadsgroei die op het einde van de 15de eeuw voltooid was.
In 1291 verkreeg Herentals van hertog Jan I fiscale autonomie; de hertog verleende Herentals het recht om accijnzen, de typisch stedelijke belastingen te heffen.
In 1303 schonk hertog Jan II een stadskeure, die beschouwd kan worden als een soort stedelijke grondwet. Door die keure bekwam Herentals een volledige autonomie inzake wetgeving en bestuur.

Het vrijheidscharter van 1209 is ongetwijfeld een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van Herentals. Niet ten onrechte wordt de toekenning van dit charter beschouwd als de stichtingsdatum van de stad Herentals. Hierdoor werd een einde gesteld aan de horigheid: stadslucht maakt vrij. De hertog verkreeg het recht om een eigen schepenbank op te richten. De zeven schepenen waren oorspronkelijk rechters. Ze waren bevoegd om te oordelen over betwistingen eigen aan kooplieden.

In de loop van de 13de, 14de en 15de eeuw ontwikkelde Herentals verder een administratief juridisch apparaat dat typisch was voor een stad.
De basis voor de welvaart was de lakennijverheid en de lakenhandel. Die economische voorspoed verschafte de stad de nodige financiële middelen om een eigen lakenhal, vleeshal en stadsbrouwerij te bouwen. Het kroonstuk van de bouwpolitiek was ongetwijfeld de omwallingen, waarvan thans nog twee stadspoorten, de Bovenpoort en de Zandpoort zijn overgebleven. Turnhout heeft nooit een omwalling bezeten.

Voor de Franse revolutie werd herentals als enige plaats in de Antwerpse Kempen door de hertog en de andere steden als een volwaardige Brabantse stad erkend. Zo nam Herentals, als lid van de Derde Stand, regelmatig deel aan de vergaderingen van de Staten van Brabant, een soort voorloper van ons huidig parlement, en ook enkele malen aan bijeenkomsten van de Staten-Generaal. Turnhout was nooit op de bijeenkomsten van de Brabantse steden aanwezig. Meer dan eens kwam Turnhout er expliciet voor uit om liever de eerste onder de vrijheden te zijn dan wel de laatste onder de Brabantse steden.

Herentals was zelfs gedurende een halve eeuw, van 1357 tot 1406, de hoofdstad van het markgraafschap Antwerpen. Dat was de periode van de annexatie van Antwerpen bij het graafschap Vlaanderen.

Bij deze gelegenheid werd Jan Goris ook geïnterviewd door RTV Kempen en VRT – Radio 2.

POL HEYNS EN HET VOLKSLIED
Samenvatting voordracht door Wim Bosmans
06.03.2008 - Fundatiehuis - Herentals.

Op uitnodiging van de "Herentalse Geschiedkundige Kring" hield Wim Bosmans op 6 maart 2008 in het Fundatiehuis op het Herentalse Begijnhof, een zeer gesmaakte voordracht met als onderwerp: Pol Heyns en het volkslied. Na een korte situering van leven en werk van Pol Heyns, die in Herentals werd geboren op 17 oktober 1906 - als negende van zestien kinderen - besteedde spreker aandacht aan het belang van Pol Heyns, als volksliedverzamelaar.

De uiteenzetting werd geïllustreerd met foto's van Pol Heyns tijdens belangrijke momenten in zijn leven en met geluidsfragmenten van oude volksliedjes.

De spreker

Wim Bosmans (°1952) is verbonden aan het Muziekinstrumentenmuseum in Brussel, waar hij de Europese volksinstrumenten beheert. Hij heeft al heel wat gepubliceerd over de traditionele muziek in de Lage Landen en talloze bijdragen geleverd voor de uitzendingen van Klara en haar voorgangers. Daarnaast is hij de bezieler van de volksmuziekgroep 'Jan Smed'.

Pol Heyns en het volkslied.

Na de humaniora in het 'Gepatroneerd College' te Herentals, vatte Heyns in Leuven de rechtenstudie aan. Al snel schakelde hij over op de studies van de Nederlandse Letterkunde. Na zijn terugkeer naar Herentals, nam zijn carrière een andere wending. Alhoewel een begenadigd verteller, kwam hij gaandeweg tot het besef dat hij als literator altijd een maatje kleiner zou blijven dan zijn grote voorbeelden Ernest Claes en Felix Timmermans. Zijn literaire ambities maken plaats voor zijn tweede passie: de heem- en volkskunde. Na zijn huwelijk in 1934 met Tine Janssens, kwam hij op 1 januari 1935 in dienst van het NIR (de voorloper van de VRT), als journalist bij wat men toen het "gesproken dagblad" noemde. Als radioreporter moest hij van alle markten thuis zijn, maar het liefst bewoog hij zich op het hem vertrouwde terrein van de cultuur en van de literatuur en de volkskunde in het bijzonder. In die periode schreef hij ook tal van luisterspelen voor de radio en verzorgde hij volkskundige programma's zoals: '20 minuten folklore', 'Het lied onzer vaderen', 'Wij doen het ver verleden ontwaken' en 'Sa vrienden luistert naar dit lied', waarin uiteraard het volkslied regelmatig ter sprake kwam. De veldopnames die hij maakte leverden hem het materiaal voor deze uitzendingen. De opnames van volksliederen, die hij vanaf 1935 begon te realiseren, maken van deze culturele duizendpoot een heel grote naam in de rij van de Vlaamse volksliedverzamelaars, zoals Edmond de Coussemaker, Adolphe Lootens en Eusèbe Feys, Jan Bols, Albert Blyau en Marcellus Tasseel, Lambrechts Lambrechts en Theophiel Peeters. Maar in één ding onderscheidde Pol Heyns zich van zijn illustere voorgangers. Hij was de allereerste in de Lage Landen, die traditionele liederen en dansen uit het Nederlandstalig landsdeel vastlegde op een geluidsdrager. Deze opnames zijn zonder meer historisch te noemen, ze leggen een rechtstreekse band met het midden van de 19de eeuw, toen Heyns' oudste zangers en zangeressen hun eerste liederen leerden.

In zijn bundel 'Volksliederen' uit 1941, geeft Pol Heyns een versie uit Herentals van de middeleeuwse ballade van Mijnheer van Bruinkasteel, één van de drie liederen die hij in 1937 opnam bij zijn eigen moeder, die het zong als wiegeliedje voor haar kinderen. Dit werk dat in 1941 werd uitgegeven door "De Nederlandsche Boekhandel" (Antwerpen), omvat een bloemlezing van 57 door Pol Heyns geregistreerde liederen, met een inleiding van 58 bladzijden, waarin hij pleitte voor een volkskundige benadering van het traditionele lied en - in tegenstelling tot de "muzikale of letterkundige estheten" - moet volgens hem de volkskundige aandacht hebben voor al wat wordt overgeleverd, ook als het niet mooi of oud is. Alles bij elkaar verzamelde Pol Heyns opnames uit een zestigtal plaatsen, waarin de Antwerpse Kempen het best vertegenwoordigd is.

Spreker luisterde zijn voordracht op met een aantal oude opnames van volksliedjes zoals o.a.: 'Een kind, een kind' , 'Ik ben een jong soldaatje', 'Daar mijne lieve dochter', 'Mieke Stout', (een oude dans die over de hele Kempen in talloze varianten verspreid was en opgenomen werd in Essen in 1937), 'Er was eens een boer' en een aantal opnames gemaakt in Herentals in 1939 en gezongen door Josephine Tegenbos, Maria Moons, Maria Torfs en Jeanne Van den Schoor. Zelf zong Wim Bosmans: 'Lief Lijneke' (een middeleeuws lied zoals dat vroeger werd gezongen door Charel W., een 50-jarige handelaar uit Olen) en liet hij ook meer recente opnames van oude volksliederen horen zoals: 'De wollewevers' en 'D'r wou n'en boer' door Wannes Van de Velde (Philips 6468 053 uit 1980) en 'Jong soldaat', door Roland van Campenhout en Wannes Van de Velde (Virgin 0724385034220 uit 2000). Dit laatste lied is een moderne versie van het aloude: 'Ik ben een jong soldaatje'. Ook " 't Kliekske" en "Göze" interpreteerden liederen uit de bundel. Wim Bosmans besteedde ook aandacht aan oude volkszangers, zoals de uit Noorderwijk afkomstige zanger Louis Van Mensel (° 1861+ 1948) (die samen met Pol Heyns staat afgebeeld op de cover van het boek 'Pol Heyns en het volkslied', geschreven door Wim Bosmans) en bakker Fons Cambré en kleermaker Jozef Peeters uit Retie en de Hoogstratenaar Louis Doms (°1897), een grote promotor van Kempische volksdansen en een voortreffelijk harmonicaspeler.

Wim Bosmans is de auteur van het boek 'Pol Heyns en het volkslied'. Een facsimile van 'Volksliederen' van Pol Heyns vormt de kern van het boek en wordt vooraf gegaan door hoofdstukken over het leven en werk van Heyns. In het boek wordt ook een cd bijgeleverd met een selectie uit het waardevolle materiaal dat Pol Heyns doorheen de jaren verzamelde.

Het boek (293 p. + cd) is uitgegeven bij uitgeverij Peeters in Leuven en kost € 30. Bestellen kan bij de uitgeverij www.peeters-leuven.be) of bij Muziekmozaiek (info@muzmoz.be)


Marc J.A. Neefs.

De Kempische bedevaarten naar Scherpenheuvel, vanaf hun ontstaan tot heden.

Samenvatting van de lezing, gehouden door dr. Marcel Gielis voor de Herentalse Geschiedkundige Kring op 16 november 2006 in het Fundatiehuis op het Herentalse Begijnhof.

De spreker.

Marcel Gielis werd geboren in Reet op 25 juli 1948. Hij volgde humaniora (Latijn - wiskunde) aan het Onze- Lieve - Vrouwcollege te Boom, werd licentiaat geschiedenis (KU Leuven, 1976), doctor in de godgeleerdheid (Theologische Faculteit Tilburg, 1994). Hij was godsdienstleraar aan diverse scholen van zowel rijks -, provinciaal en katholiek onderwijs van het bisdom Antwerpen, sinds 1976 universitair docent aan de Theologische Faculteit Tilburg (Vakgroep Geschiedenis van Kerk en Theologie) en daarnaast ook docent aan de Opleiding Toeristische Gids aan het Centrum voor Volwassenenonderwijs in Turnhout en aan het Departement Spiritualiteit van het 'International Institute Canon Triest', Broeders van Liefde te Gent. Hij publiceerde diverse werken over de religieuze geschiedenis van Noord - Brabant en de Kempen, de houding van de Kerk tegenover de religieuze volkscultuur, over christelijke iconografie en actuele problemen aangaande geloof en kerk. Hij is lid van diverse geschiedkundige, religieuze en culturele organisaties en ondervoorzitter van het Davidsfonds Turnhout.

De Kempische bedevaarten naar Scherpenheuvel, vanaf hun ontstaan tot heden.
a) Geschiedenis van de bedevaartsplaats.

De oorsprongslegende van het bedevaartsoord Scherpenheuvel - het verhaal van de herder die een Mariabeeld in een boom vindt - zou zich afspelen in het begin van de zestiende eeuw. Doch reeds in het begin van de 14de eeuw noteert Lodewijk van Velthem, die in 1304 kapelaan was in Zichem, in zijn 'Spiegelhistoriael'of 'Rijmspiegel' - een verderzetting van de rijmkroniek van Jacob van Maerlant - een legende over een boom in de streek tussen Zichem en Diest. Misschien moeten we eerder van een sage spreken, want behalve de kruisvorm van de boom zijn er geen christelijk - religieuze elementen in het verhaal te vinden. Van Velthem beschrijft de gebeurtenissen vanuit het standpunt van 'verlicht' priester, die aanstoot neemt aan het volkse bijgeloof, waarin hij restanten van het heidendom ziet. De mensen die naar de eikenboom op bedevaart gaan en daar hopen van hun kwalen genezen te worden, zijn volgens hem dwaas. Van Velthem vertelt enkele verhalen met sprookjesachtige elementen over gebeurtenissen die zich aan de boom zouden afgespeeld hebben.

De Norbertijn Augustinus Wichmans, die in de zeventiende eeuw een groot naslagwerk over Mariale bedevaartplaatsen in het hertogdom Brabant publiceerde, kent een gewijzigde versie van de rijmkroniek van van Velthem. Hij is van oordeel dat de eik die in het begin van de 14de eeuw vereerd werd, dezelfde is als waar in de 16de eeuw het Mariabeeld aan hing.

Wanneer Philips Numan, de griffier van de aartsbisschop van Mechelen, in 1603 in de omgeving van Scherpenheuvel een onderzoek instelt naar de oorsprong van de verering van het beeld, vertellen zijn bronnen hem het verhaal van de herder die aan de oorsprong zou liggen van de verering. Omstreeks 1500 zou een herder op de plaats waar nu de basiliek van Scherpenheuvel staat, een Mariabeeld gevonden hebben dat van de eik, die daar stond, was afgevallen. De herder wilde het beeldje meenemen, maar kon zich plotseling niet meer bewegen zodra hij het beeld had opgeraapt. Toen zijn meester, die naar hem op zoek was gegaan, het beeld terug in de boom hing kon de herder zich weer bewegen. Het bovenstaande relaas wordt door Numan ook opgetekend in zijn boek 'Historie van de Mirakelen', dat echter volgens Numan een volksverhaal is, dat niet gestaafd kan worden met enig ander bewijs dan de mondelinge overlevering. In zijn boek doet Numan wel verslag van de kerkelijk erkende wonderen die plaatsvonden in Scherpenheuvel. Het mirakelboek werd vertaald in het Nederlands, Frans, Spaans en Engels en mede hierdoor wordt Scherpenheuvel in heel West-Europa een vermaard pelgrimsoord dat vele bedevaarders trekt. Er ontstond een devotie tot het Mariabeeld aan de eik. Zelfs landvoogd Alexander Farnese ging op bedevaart naar de heuvel en de eik, voor hij in februari 1578 Zichem ging belegeren. Waarschijnlijk verdween het oorspronkelijke beeld in 1580, als de Geuzen de streek rond Zichem voor 3 jaar heroverden.

Vermoedelijk in de vasten van het jaar 1602 had pastoor Godfried van Thienwinckel van Zichem - die het initiatief nam voor een bedevaart naar Scherpenheuvel - een kapel (een houten gebouwtje) laten optrekken naast de eik. En in mei of juni 1602 deed zich de eerste genezing voor, die officieel door de Brusselse magistraat, als mirakel werd erkend. De blinde Petronella Ridders uit Diest, keerde na een bedevaart, met gezonde ogen terug.

De massale toeloop had ondertussen de aandacht getrokken van de hoogste kerkelijke en wereldlijke gezagsdragers van de Zuidelijke Nederlanden. Aartsbisschop Matthias Hovius stuurde in 1603, zijn suffragaan Johannes Miraeus van Antwerpen, voor een onderzoek ter plaatse. Beducht als de contrareformatorische leiders waren voor bijgelovige praktijken, die mogelijk nog samenhingen met de heidense bomenverering - men geloofde zelfs dat de schors van de Scherpenheuvelse boom geneeskrachtig was - gaf hij opdracht om de boom, waarin het beeldje tot in 1602 was bevestigd, om te hakken. De Mariadevotie in de houten kapel, liet hij echter ongemoeid.

Men geloofde dat Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel de kracht heeft ernstig zieken te genezen en koorts te doen dalen. Ook kan zij boze geesten uitdrijven, zoals in 1603 gebeurt met Cathérine du Bois uit Rijsel. Na vele pogingen tot exorcisme laat men haar een stukje hout van de gekapte Scherpenheuvelse eik doorslikken , waarna de duivel haar lichaam verlaat.

Ook de aartshertogen Albrecht en Isabella en hun omgeving toonden belangstelling voor de gebeurtenissen in Scherpenheuvel. Van 19 tot 24 november 1603, verbleven ze met hun gevolg te Diest in het kasteel van de katholieke Filips-Willem van Oranje, heer van Zichem en Diest, op wiens grondgebied Scherpenheuvel lag en gingen ze samen met hun hofhouding regelmatig bidden op de bedevaartplaats. Albrecht vatte toen het plan op om de toen nog woeste heuvel om te vormen tot een 'besloten hof'. De bouw van een stenen kapel - gestimuleerd door de aartshertogen - werd beëindigd in 1604 en op 13 juni 1604 werd de stenen kapel ingewijd door Matthias Hovius. Op 8 september van dat jaar wordt de kapel echter geplunderd door Noordelijke troepen en Jezuïeten brengen het Mariabeeld in veiligheid. Nadat Ambrosius Spinola op 20 december 1604 Oostende had ingenomen - het laatste bastion van de Calvinistische Geuzen in de Zuidelijke Nederlanden - betuigden de aartshertogen O. - L. - Vrouw hun dank door haar ter ere, het bedevaartsoord uit te bouwen en krijgt Scherpenheuvel in november 1605 stadsrechten. Scherpenheuvel moest het katholieke bolwerk van de Zuidelijke Nederlanden worden, als tegenhanger van de protestantse vesting Willemstad in de Noordelijke Nederlanden. Dit plan sluit perfect aan op de ideeën van de Contrareformatie en de stad moet een allegorisch eerbetoon worden aan de Moeder Gods.

In 1607 gaven de aartshertogen aan hun hofarchitect Wenceslas (Wenzel) Cobergher, de opdracht om een plan te tekenen voor een nieuwe kerk in Scherpenheuvel en stelden ze Hendrik Meert aan als bouwmeester. Het ontwerp van Cobergher is bijzonder rijk aan symboliek en past binnen het concept van Scherpenheuvel als Mariale allegorie. Er leiden 7 wegen naar de kerk en het grondplan van de kerk is een zevenpuntige ster. Dezelfde symboliek past hij ook toe op de enorme koepel, die bezaaid is met 298 vergulde zevenpuntige sterren. Ook in het interieur komt het cijfer 7 telkens terug. Zo wordt de komst van Jezus aangekondigd door 6 oudtestamentische figuren (Mozes,Jesaja, Ezechiël, David, Jeremia en Daniël) en verwezenlijkt door Maria, de zevende figuur.

De stenen kapel deed nog dienst tot in 1613, toen ze werd gesloopt om met het materiaal hiervan de Allerheiligenkapel van Diest ter herstellen.

In 1624 had de eerste pastoor van Scherpenheuvel Joost of Judocus Bouckaert - die verantwoordelijk was voor der eerste ontwikkeling van het bedevaartsoord - een groep priesters verzameld, die als oratorium werd erkend. De Oratorianen zouden tot aan de Franse revolutie de zielenzorg in Scherpenheuvel uitoefenen.

De nieuwe kerk werd door aartsbisschop Jacobus Boonen gewijd in 1627 en voor de inwijdingsplechtigheid komt aartshertogin Isabella te voet van Diest naar Scherpenheuvel. Tijdens de plechtigheid ontdoet ze zich van haar juwelen, die ze op de trappen van het hoogaltaar gooit, als offerande aan de Heilige Maagd en om aan te tonen dat aardse goederen niet de hoogste waarden zijn in het leven. Velen volgen haar voorbeeld.

In de loop der eeuwen blijft Scherpenheuvel een belangrijk bedevaartsoord. Tijdens de Franse revolutie wordt de kerk geplunderd en worden de Oratorianen voorgoed verdreven. Aan het einde van de 18de eeuw wordt de eredienst hersteld. In 1872 wordt het Mariabeeld plechtig gekroond en in de 19de en 20ste eeuw werden rond de kerk en op het domein van het vroegere Oratorianenklooster bouwwerken uitgevoerd, die het de bezoekers van het bedevaartsoord mogelijk moest maken in openlucht devotieoefeningen te doen. Zo werd een kruisweg met 15 staties aangelegd. In 1908 werd de Rozenkranskerk voltooid en op 2 mei 1922 verhief paus Pius XI de O. - L. - Vrouwkerk tot basiliek.

Naast de bedevaart ontstond er rond 1628 ook een ander jaarlijks hoogtepunt, de 'kaarskensprocessie', die gehouden wordt op de zondag na Allerzielen (2 november). Tijdens die processie wordt het genadebeeld in precessie om de kerk gedragen. Terwijl ze op het beeld wachten steken de bedevaarders brandende kaarsen in het zand van het voormalige kerkhof. Men doet dit voor de zielenrust van de overledenen. De processie komt waarschijnlijk voort uit een oud volkse gebruik om op Allerzielen, kaarsen te branden bij de graven van dierbaren.

b) Bedevaarten naar Scherpenheuvel.

De oudste bedevaart zou die van Zichem in 1602 zijn. Men neemt aan dat de traditie van de georganiseerde Scherpenheuvelbedevaarten vanuit een bepaalde parochie begint met de bedevaart die de Zichemse pastoor van Thienwinckel in 1602 organiseerde. In de eerste helft van de 17de eeuw ontstonden bedevaarten uit Roermond, Breda, Schaffen, Zonhoven, Diest, Attenhoven, Tienen en Landen. De beroemde bedevaart vanuit Keulen is in 1635 ontstaan. In 1670 kwamen 49 bedevaarten toe in Scherpenheuvel. Er waren in deze tijd relatief veel bedevaarten uit parochies uit de onmiddellijke omgeving van Scherpenheuvel en ook uit verschillende parochies van de Antwerpse Kempen. Uit Noord - Brabant kwam 's Hertogenbosch op bedevaart, maar ook uit de Antwerpse St. - Paulusparochie kwamen bedevaarders en er was er ook een Leuvense bedevaart. Op het einde van de 18de eeuw berokkenen bewindvoerders, die onder invloed van de Verlichting stonden, nogal wat moeilijkheden aan het bedevaartwezen. In 1876 reglementeerde keizer - koster Jozef II de processies; er mocht slechts één processie zijn per parochie en die moest overal op dezelfde dag uitgaan en hij verbood de bedevaarten. Zijn verbod leidde echter tot ongeregeldheden en na de Brabantse Omwenteling van 1789 werden bedevaarten terug mogelijk. In 1797 nam de Franse bezetter allerlei antigodsdienstige maatregelen die in de Zuidelijke Nederlanden de Besloten Tijd inluidden. Na het concordaat van Napoleon in 1801 konden opnieuw processiebedevaarten georganiseerd worden.

Over de organisatie en het verloop van de bedevaarten in het Ancien Régime is weinig bekend. Wel geweten is dat ten behoeve van de georganiseerde Scherpenheuvelbedevaarten er boekjes met devotieoefeningen en gezangen bestonden.

Voor de processiebedevaarten uit Noord-Brabant en de Kempen in de 19de eeuw is het 'Nieuwsblad van Geel' een rijke informatiebron. In 1803 wordt in Breda het broederschap van O. - L. - Vrouw opgericht, dat bedevaarten organiseert naar Scherpenheuvel. Vanaf 1853 brengt dit blad regelmatig verslag uit over de processies via Geel die naar Scherpenheuvel trokken. Zo schrijft het 'Nieuwsblad van Geel' in 1853: "Op donderdag 30 juni zijn alhier doorgetrokken een twaalftal karren met bedevaarders naar het miraculeuze beeld van O. - L. - Vrouw van Scherpenheuvel. Het is voorzeker een moedige daad van onze Hollandse geloofsgenoten (bedoeld wordt die van Breda), een zo lange reis, waarop zij 5 dagen onderweg zijn, aan te vangen". In 1863 kwamen de Bredaënaar met 300 man en 10 karren opzetten. Het 'Nieuwsblad van Geel' schrijft: "De gansche schare zong een loflied ter ere van Maria. Op één der karren bemerkten wij een doodskist die deze bedevaarders telkenjare meenemen om het eerste lid der bedevaart dat in het jaar komt te bezwijken daarin te begraven. Het is schoon om zien hoe moedig en wonderbaar die bedevaarders die lange godvruchtige reis, met vier overnachtingen, afleggen". Het is waarschijnlijk dat Felix Timmermans hier zijn inspiratie heeft gehaald voor zijn novelle 'De Kistprocessie', over een Antwerpse processie, waarin een doodskist wordt meegedragen. In 1865 verslaat het 'Nieuwsblad van Geel' voor de laatste keer de Bredase processie, omdat vanaf 1866, de Bredase bedevaarders - als eersten - beslisten, niet meer te voet en met paarden getrokken karren de bedevaart te maken, maar wel per trein. De Bredase bedevaarders die ook langs Turnhout kwamen en daar op de heen- en terugweg bleven overnachten, brachten een aantal Turnhoutenaars op het idee om in 1812, een gelijkaardige Broederschap van O. - L. - Vrouw van Scherpenheuvel op te richten. Uit de lokale pers blijkt dat dit initiatief een groot succes kende. In 1854 trokken 1065 bedevaarders met 37 karren naar Scherpenheuvel en in 1856 1147 bedevaarders met 38 karren en 3 koetsen. In 1859 was de Turnhoutse processie vergezeld van een groot koor dat meerstemmige zang uitvoerde. In 1861 zette toondichter J. Robson voor de bedevaart een litanie op muziek en het 'Nieuwsblad van Geel' meldde in 1862 dat het koor van de 60 zangers van de Turnhoutse processie, een fraaie nieuwe litanie zong. Op de terugweg namen de Turnhoutse bedevaarders het middagmaal in diverse afspanningen en hotels en vooraleer verder te gaan, woonden zij een lof bij in de St. -Amandskerk. Dat het gegeven uit Timmermans' 'Kistprocessie' van de Scherpenheuvelgangers die tijdens de bedevaart bezwijken niet volledig uit de lucht is gegrepen, blijkt uit de geschiedenis van de Turnhoutse processie. In 1870 was het tijdens de bedevaart snikheet en een achttienjarig meisje dronk te veel koud water. Ze werd te Scherpenheuvel ziek en overleed de daaropvolgende nacht. Ook in 1855 was een Turnhoutse bedevaarster schielijk in Veerle overleden "door het overtollig hete weder in de hersens geraakt". In datzelfde jaar werd echter ook een vrouw, die al 4 jaar op krukken liep en zo erge pijn had in haar been, dat de chirurgijn dacht het te moeten amputeren, tijdens haar gebed in de bedevaartkerk in Scherpenheuvel plots genezen, zodat ze haar krukken op het altaar kon leggen. De hele processie was getuige van dit mirakel en viel op de knieën om de Heilige Maagd te danken.

Het Turnhoutse voorbeeld vond navolging in de omliggende dorpen en in het decennium volgend op 1812, ontstonden ook daar Scherpenheuvelbedevaarten. In 1854 trokken 485 bedevaarders uit Kasterlee met 22 karren op bedevaart.

De eerste bedevaart vanuit Herentals naar Scherpenheuvel had plaats in 1839, toen een zestal vrome Mariavierders, het besluit namen alle jaren naar Scherpenheuvel te gaan met Guill Davidson als begeleider. Davidson bleef de bedevaarten begeleidden tot aan zijn overlijden in 1880. In 1840 zijn er 3 mannelijke en 20 vrouwelijke bedevaartgangers. In 1842 bestaat de groep bedevaarders reeds uit 100 mannen en vrouwen, in 1846 werden er voor de bedevaart 500 'beeldekens' gedrukt en in 1847 worden er speciaal voor de bedevaart 5 'vanen' gekocht. In 1848 staat de Herentalse processie onder de leiding van onderpastoor Smits. Tot in 1874 ging men te voet op bedevaart en werden de bedevaarders begeleid door huifkarren. Vanaf 1875 gaat men per trein op bedevaart. Men rijdt tot in het station van Zichem en gaat van daaruit te voet naar Scherpenheuvel. In 1876 zijn er 650 deelnemers, 700 in 1877, 750 in 1878 en van 1879 tot 1881 telkens 760. Van 1893 tot 1909 stijgt het aantal bedevaarders tot 800 à 900 personen. In 1911 viert men een jubileum: August Van Sande is 35 jaar muziekbestuurder van het bedevaartgenootschap en krijgt een 'pijp en een medalje' cadeau. In 1913 zijn er zelfs 1060 bedevaartgangers. In 1915 daalt omwille van de oorlogsomstandigheden het aantal bedevaarders, maar toch gaan 's zondags nog 40 mannen en vrouwen te voet naar Scherpenheuvel en op maandag gaan 2 bedevaarders met de tram tot in Westerlo en van daar te voet naar Scherpenheuvel. Ook in de volgende oorlogsjaren blijft het aantal bedevaartgangers beperkt, sommigen gaan te voet, andere per 'voituur'. In 1916 gaat August Van Sande alleen te voet op bedevaart en in 1917 gaat hij samen met zijn vrouw Mathilde Spoormans te voet, terwijl Mod. Heylen, Marie en Julie Van Doninck, L. Van Menzel en P. Wuyts met een rijtuig gaan. Ook in 1918 zijn August Van Sande en zijn vrouw de enige bedevaartgangers die te voet gaan en ook te voet terugkomen, terwijl Pol Tuerlinckx met zijn 'voituur' met drie man naar Scherpenheuvel rijdt. In 1919 is er weer een grote processie met 750 deelnemers, die per trein tot in Zichem gaan en dan te voet naar Scherpenheuvel. In 1923 bereikt men de kaap van 1000 bedevaarders. Tot in 1939 varieert het aantal deelnemers tussen de 998 (in 1929) tot 464 (in 1936). In 1939 zijn er 900 bedevaarders en August Van Sande neemt deel aan zijn 65ste bedevaart. Hij krijgt daarvoor '2 kaskes cigaren en een medalje'. In 1946 zijn er in totaal 1685 bedevaarders, waarvan er 80 per fiets gaan en 50 te voet. Tussen de 130 bedevaarders in 1949, gaat August Van Sande voor de 70ste keer mee, waarvan 64 keer als muziekbestuurder. Van de kerk krijgt hij 200 frank en van de muzikanten verschillende cadeaus o.a. 'pijp, cigaren, en een flesch Schiedam.'. In 1952 gaat Van Sande al voor de 78ste keer mee, zijn 68ste keer als muziekmeester. In 1953 zijn er 780 bedevaarders. En in 1955 en 1956 wordt August Van Sande per auto naar Scherpenheuvel gebracht, terwijl Frans Geeraerts de rol van muziekmeester heeft overgenomen. August Van Sande overleed op 21 augustus 1956. Vanaf 1957 wordt het St. - Waldetrudiskoor meer en meer betrokken bij de bedevaart, naast de zangers die traditiegetrouw op post zijn. E.H. Schroons leidt de repetities van het koor. Van 1957 tot 1960 leidt Frans Geeraerts de repetities en zang bij de Boeteprocessie naar de Herentalse Kruisberg en van de bedevaart naar Scherpenheuvel. Vanaf 1961 leidt Emiel Geeraerts de muzikanten. In 1961 had men de mis te Scherpenheuvel te laat aangevraagd, waardoor de bedevaarders genoegen moesten nemen met een latere mis om 11 uur. Voor de mis deden ze nog een rozenkrans.

In de 20ste eeuw ondergaan de bedevaarten een diepgaande transformatie. Een eerste factor is de opkomst van de moderne vervoermiddelen, waardoor de vele bedevaartorganisaties besloten om per trein, tram of bus op bedevaart te gaan. Vanuit Herentals ging men vanaf 1875 per trein op bedevaart, terwijl het bestuur van de Turnhoutse Scherpenheuvelbroederschap in 1907 beslist om voortaan per trein op bedevaart te gaan. Maar tot op vandaag blijft een groot aantal bedevaarders de tocht (soms gedeeltelijk) te voet maken. Twee andere factoren die hebben geleid tot een transformatie van de bedevaarten en ook een bedreiging inhielden voor het bedevaartwezen als zodanig, lieten van de jaren 1960 hun invloed gelden: de kerkelijke vernieuwing en de algemene modernisering. Bij gebrek aan genoeg deelnemers werden sommige bedevaartorganisaties dan ook ontbonden. In de tijd van de kerkelijke vernieuwing raakte deze processie in een diepe crisis, die ze niet meer te boven zou komen.

Tot op vandaag blijft Scherpenheuvel nog steeds het meest bezochte bedevaartsoord in België.


Marc J.A. Neefs.

© Herentalse Geschiedkundige Kring